De plus-operator (+) gebruik je om getallen bij elkaar op te tellen. Je kunt getallen direct optellen, of variabelen die getallen bevatten.
let resultaat = 5 + 3; // resultaat krijgt de waarde 8
Je kunt ook meerdere getallen achter elkaar optellen:
let som = 10 + 5 + 2; // som krijgt de waarde 17
Maak een variabele resultaat aan die de som van 8 en 4 bevat.
Maak een variabele totaal aan die de som van 15 en 25 bevat.
Maak een variabele a met waarde 7 en een variabele b met waarde 13. Maak een variabele som die de som van a en b bevat.
Maak een variabele x met waarde 100 en een variabele y met waarde 200. Maak een variabele uitkomst die de som van x en y bevat.
Tel de getallen 12, 8 en 5 bij elkaar op en sla het resultaat op in een variabele totaal.
Maak een variabele getal1 met waarde 30, getal2 met waarde 45 en getal3 met waarde 25. Maak een variabele som die de som van alle drie de getallen bevat.
Maak een variabele score1 met waarde 88 en een variabele score2 met waarde 92. Bereken het totaal en sla op in totaalScore.
Tel 50 en 75 bij elkaar op en sla het resultaat op in een variabele antwoord.
Maak een variabele prijs1 met waarde 15, prijs2 met waarde 20 en prijs3 met waarde 10. Bereken de totaalprijs.
Maak een variabele dag1 met waarde 120 en dag2 met waarde 135. Bereken het totaal aantal over beide dagen in een variabele totaalAantal.
De min-operator (-) gebruik je om getallen van elkaar af te trekken. Je trekt het rechtergetal af van het linkergetal.
let verschil = 10 - 3; // verschil krijgt de waarde 7
Je kunt ook negatieve getallen krijgen als je een groter getal aftrekt van een kleiner getal:
let negatief = 5 - 8; // negatief krijgt de waarde -3
Maak een variabele verschil aan die het resultaat van 20 - 8 bevat.
Maak een variabele resultaat die het verschil tussen 100 en 45 bevat.
Maak een variabele x met waarde 50 en een variabele y met waarde 20. Maak een variabele verschil die x - y bevat.
Trek 15 af van 80 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.
Maak een variabele startwaarde met waarde 200 en een variabele vermindering met waarde 75. Bereken het eindresultaat.
Trek eerst 10 af van 50, en trek daar dan nog eens 5 vanaf. Sla het resultaat op in resultaat.
Maak een variabele budget met waarde 500 en een variabele uitgave met waarde 120. Bereken het resterende budget in een variabele resterend.
Trek 88 af van 150 en sla het resultaat op in een variabele verschil.
Maak een variabele totaal met waarde 1000. Trek er 250, dan 100, en dan nog 50 vanaf. Sla het eindresultaat op in over.
Maak een variabele voorraad met waarde 300 en een variabele verkocht met waarde 145. Bereken de resterende voorraad.
De vermenigvuldig-operator (*) gebruik je om getallen met elkaar te vermenigvuldigen. In plaats van het × teken dat je van school kent, gebruiken we in programmeren de *.
let product = 5 * 3; // product krijgt de waarde 15
Je kunt ook met negatieve getallen vermenigvuldigen:
let negatief = 5 * -2; // negatief krijgt de waarde -10
Maak een variabele product aan die het resultaat van 6 * 7 bevat.
Maak een variabele resultaat die 8 * 9 bevat.
Maak een variabele a met waarde 12 en een variabele b met waarde 5. Maak een variabele product die a * b bevat.
Vermenigvuldig 15 met 4 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.
Maak een variabele prijs met waarde 25 en een variabele aantal met waarde 8. Bereken de totaalprijs.
Vermenigvuldig 7, 8 en 2 met elkaar (7 * 8 * 2) en sla het resultaat op in een variabele uitkomst.
Maak een variabele lengte met waarde 12 en een variabele breedte met waarde 8. Bereken de oppervlakte (lengte × breedte).
Vermenigvuldig 20 met 15 en sla het resultaat op in een variabele totaal.
Maak een variabele uurloon met waarde 18 en een variabele uren met waarde 40. Bereken het weekbedrag.
Maak een variabele pakken met waarde 12 en een variabele stuks met waarde 24. Bereken het totaal aantal stuks.
De deel-operator (/) gebruik je om getallen te delen. In plaats van het ÷ teken gebruiken we in programmeren de /.
let quotient = 20 / 4; // quotient krijgt de waarde 5
Delen kan ook kommagetallen opleveren:
let kommagetal = 7 / 2; // kommagetal krijgt de waarde 3.5
Maak een variabele quotient aan die het resultaat van 24 / 6 bevat.
Maak een variabele resultaat die 100 / 5 bevat.
Maak een variabele a met waarde 90 en een variabele b met waarde 10. Maak een variabele quotient die a / b bevat.
Deel 80 door 4 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.
Maak een variabele totaal met waarde 150 en een variabele delen met waarde 5. Bereken hoeveel elk deel is.
Deel 10 door 4 en sla het resultaat op in een variabele kommagetal. Het antwoord zal een kommagetal zijn.
Maak een variabele afstand met waarde 240 en een variabele tijd met waarde 4. Bereken de snelheid (afstand / tijd).
Deel 15 door 3 en sla het resultaat op in een variabele uitkomst.
Maak een variabele pizza met waarde 8 en een variabele personen met waarde 4. Bereken hoeveel stukken pizza elke persoon krijgt.
Maak een variabele punten met waarde 450 en een variabele wedstrijden met waarde 15. Bereken het gemiddelde aantal punten per wedstrijd.
Je kunt verschillende rekenoperaties combineren in één berekening. JavaScript volgt de standaard wiskundige volgorde: vermenigvuldigen en delen gaan vóór optellen en aftrekken.
let resultaat = 10 + 5 * 2; // resultaat krijgt de waarde 20
// Eerst 5 * 2 = 10, dan 10 + 10 = 20
Je kunt haakjes gebruiken om de volgorde te veranderen:
let resultaat = (10 + 5) * 2; // resultaat krijgt de waarde 30
// Eerst 10 + 5 = 15, dan 15 * 2 = 30
Bereken 5 + 3 * 2 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.
Bereken (5 + 3) * 2 en sla het resultaat op in een variabele resultaat.
Bereken 20 - 8 / 2 en sla op in een variabele uitkomst.
Bereken (20 - 8) / 2 en sla op in een variabele uitkomst.
Maak een variabele prijs met waarde 100, een variabele korting met waarde 20, en een variabele aantal met waarde 3. Bereken de totaalprijs: (prijs - korting) * aantal.
Bereken 10 * 5 + 20 / 4 en sla op in een variabele antwoord.
Bereken 100 / 5 - 10 * 2 en sla op in een variabele resultaat.
Maak een variabele a met waarde 15, b met waarde 5, en c met waarde 3. Bereken a + b * c.
Bereken 50 - 10 + 5 * 2 en sla op in een variabele antwoord.
Bereken (40 + 20) / 3 en sla op in een variabele gemiddelde.
Nu ga je alle kennis die je hebt geleerd combineren: variabelen aanmaken, waarden toekennen, en verschillende rekenoperaties gebruiken om complexere problemen op te lossen.
Maak een variabele lengte met waarde 10, breedte met waarde 6, en hoogte met waarde 4. Bereken het volume (lengte * breedte * hoogte).
Maak een variabele celsius met waarde 25. Bereken de temperatuur in Fahrenheit met de formule: fahrenheit = celsius * 9 / 5 + 32.
Je hebt 150 euro. Je koopt 3 artikelen van elk 25 euro en 2 artikelen van elk 15 euro. Bereken hoeveel geld je overhoudt.
Maak een variabele basis met waarde 100, toename met waarde 20, en factor met waarde 3. Bereken: (basis + toename) * factor.
Maak een variabele score1 met waarde 85, score2 met waarde 92, en score3 met waarde 78. Bereken het gemiddelde.
Een winkel heeft 200 producten. Vandaag verkopen ze 45 producten en krijgen 30 nieuwe binnen. Bereken de nieuwe voorraad.
Maak een variabele uurloon met waarde 22, uren met waarde 38, en bonus met waarde 150. Bereken het totale salaris: uurloon * uren + bonus.
Een rechthoek heeft een lengte van 24 en breedte van 18. Bereken de omtrek met de formule: 2 * (lengte + breedte).
Je hebt 500 euro budget. Je geeft 120 euro uit aan eten, 80 euro aan vervoer, en 50 euro aan entertainment. Bereken hoeveel je overschiet.
Een bedrijf heeft 8 teams met elk 12 medewerkers. Er gaan 15 nieuwe medewerkers bij en 9 medewerkers vertrekken. Bereken het nieuwe totaal aantal medewerkers.
In dit hoofdstuk heb je geleerd:
+ operator- operator* operator/ operator