Hoofdstuk 2: Rekenen in JavaScript

← Terug naar overzicht

Optellen met de + operator

De plus-operator (+) gebruik je om getallen bij elkaar op te tellen. Je kunt getallen direct optellen, of variabelen die getallen bevatten.

let resultaat = 5 + 3;  // resultaat krijgt de waarde 8

Je kunt ook meerdere getallen achter elkaar optellen:

let som = 10 + 5 + 2;  // som krijgt de waarde 17

Oefening 1

Maak een variabele resultaat aan die de som van 8 en 4 bevat.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele totaal aan die de som van 15 en 25 bevat.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele a met waarde 7 en een variabele b met waarde 13. Maak een variabele som die de som van a en b bevat.

Jouw code:

Oefening 4

Maak een variabele x met waarde 100 en een variabele y met waarde 200. Maak een variabele uitkomst die de som van x en y bevat.

Jouw code:

Oefening 5

Tel de getallen 12, 8 en 5 bij elkaar op en sla het resultaat op in een variabele totaal.

Jouw code:

Oefening 6

Maak een variabele getal1 met waarde 30, getal2 met waarde 45 en getal3 met waarde 25. Maak een variabele som die de som van alle drie de getallen bevat.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele score1 met waarde 88 en een variabele score2 met waarde 92. Bereken het totaal en sla op in totaalScore.

Jouw code:

Oefening 8

Tel 50 en 75 bij elkaar op en sla het resultaat op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 9

Maak een variabele prijs1 met waarde 15, prijs2 met waarde 20 en prijs3 met waarde 10. Bereken de totaalprijs.

Jouw code:

Oefening 10

Maak een variabele dag1 met waarde 120 en dag2 met waarde 135. Bereken het totaal aantal over beide dagen in een variabele totaalAantal.

Jouw code:

Aftrekken met de - operator

De min-operator (-) gebruik je om getallen van elkaar af te trekken. Je trekt het rechtergetal af van het linkergetal.

let verschil = 10 - 3;  // verschil krijgt de waarde 7

Je kunt ook negatieve getallen krijgen als je een groter getal aftrekt van een kleiner getal:

let negatief = 5 - 8;  // negatief krijgt de waarde -3

Oefening 1

Maak een variabele verschil aan die het resultaat van 20 - 8 bevat.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele resultaat die het verschil tussen 100 en 45 bevat.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele x met waarde 50 en een variabele y met waarde 20. Maak een variabele verschil die x - y bevat.

Jouw code:

Oefening 4

Trek 15 af van 80 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele startwaarde met waarde 200 en een variabele vermindering met waarde 75. Bereken het eindresultaat.

Jouw code:

Oefening 6

Trek eerst 10 af van 50, en trek daar dan nog eens 5 vanaf. Sla het resultaat op in resultaat.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele budget met waarde 500 en een variabele uitgave met waarde 120. Bereken het resterende budget in een variabele resterend.

Jouw code:

Oefening 8

Trek 88 af van 150 en sla het resultaat op in een variabele verschil.

Jouw code:

Oefening 9

Maak een variabele totaal met waarde 1000. Trek er 250, dan 100, en dan nog 50 vanaf. Sla het eindresultaat op in over.

Jouw code:

Oefening 10

Maak een variabele voorraad met waarde 300 en een variabele verkocht met waarde 145. Bereken de resterende voorraad.

Jouw code:

Vermenigvuldigen met de * operator

De vermenigvuldig-operator (*) gebruik je om getallen met elkaar te vermenigvuldigen. In plaats van het × teken dat je van school kent, gebruiken we in programmeren de *.

let product = 5 * 3;  // product krijgt de waarde 15

Je kunt ook met negatieve getallen vermenigvuldigen:

let negatief = 5 * -2;  // negatief krijgt de waarde -10

Oefening 1

Maak een variabele product aan die het resultaat van 6 * 7 bevat.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele resultaat die 8 * 9 bevat.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele a met waarde 12 en een variabele b met waarde 5. Maak een variabele product die a * b bevat.

Jouw code:

Oefening 4

Vermenigvuldig 15 met 4 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele prijs met waarde 25 en een variabele aantal met waarde 8. Bereken de totaalprijs.

Jouw code:

Oefening 6

Vermenigvuldig 7, 8 en 2 met elkaar (7 * 8 * 2) en sla het resultaat op in een variabele uitkomst.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele lengte met waarde 12 en een variabele breedte met waarde 8. Bereken de oppervlakte (lengte × breedte).

Jouw code:

Oefening 8

Vermenigvuldig 20 met 15 en sla het resultaat op in een variabele totaal.

Jouw code:

Oefening 9

Maak een variabele uurloon met waarde 18 en een variabele uren met waarde 40. Bereken het weekbedrag.

Jouw code:

Oefening 10

Maak een variabele pakken met waarde 12 en een variabele stuks met waarde 24. Bereken het totaal aantal stuks.

Jouw code:

Delen met de / operator

De deel-operator (/) gebruik je om getallen te delen. In plaats van het ÷ teken gebruiken we in programmeren de /.

let quotient = 20 / 4;  // quotient krijgt de waarde 5

Delen kan ook kommagetallen opleveren:

let kommagetal = 7 / 2;  // kommagetal krijgt de waarde 3.5

Oefening 1

Maak een variabele quotient aan die het resultaat van 24 / 6 bevat.

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele resultaat die 100 / 5 bevat.

Jouw code:

Oefening 3

Maak een variabele a met waarde 90 en een variabele b met waarde 10. Maak een variabele quotient die a / b bevat.

Jouw code:

Oefening 4

Deel 80 door 4 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele totaal met waarde 150 en een variabele delen met waarde 5. Bereken hoeveel elk deel is.

Jouw code:

Oefening 6

Deel 10 door 4 en sla het resultaat op in een variabele kommagetal. Het antwoord zal een kommagetal zijn.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele afstand met waarde 240 en een variabele tijd met waarde 4. Bereken de snelheid (afstand / tijd).

Jouw code:

Oefening 8

Deel 15 door 3 en sla het resultaat op in een variabele uitkomst.

Jouw code:

Oefening 9

Maak een variabele pizza met waarde 8 en een variabele personen met waarde 4. Bereken hoeveel stukken pizza elke persoon krijgt.

Jouw code:

Oefening 10

Maak een variabele punten met waarde 450 en een variabele wedstrijden met waarde 15. Bereken het gemiddelde aantal punten per wedstrijd.

Jouw code:

Bewerkingen combineren

Je kunt verschillende rekenoperaties combineren in één berekening. JavaScript volgt de standaard wiskundige volgorde: vermenigvuldigen en delen gaan vóór optellen en aftrekken.

let resultaat = 10 + 5 * 2;  // resultaat krijgt de waarde 20
// Eerst 5 * 2 = 10, dan 10 + 10 = 20

Je kunt haakjes gebruiken om de volgorde te veranderen:

let resultaat = (10 + 5) * 2;  // resultaat krijgt de waarde 30
// Eerst 10 + 5 = 15, dan 15 * 2 = 30

Oefening 1

Bereken 5 + 3 * 2 en sla het resultaat op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 2

Bereken (5 + 3) * 2 en sla het resultaat op in een variabele resultaat.

Jouw code:

Oefening 3

Bereken 20 - 8 / 2 en sla op in een variabele uitkomst.

Jouw code:

Oefening 4

Bereken (20 - 8) / 2 en sla op in een variabele uitkomst.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele prijs met waarde 100, een variabele korting met waarde 20, en een variabele aantal met waarde 3. Bereken de totaalprijs: (prijs - korting) * aantal.

Jouw code:

Oefening 6

Bereken 10 * 5 + 20 / 4 en sla op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 7

Bereken 100 / 5 - 10 * 2 en sla op in een variabele resultaat.

Jouw code:

Oefening 8

Maak een variabele a met waarde 15, b met waarde 5, en c met waarde 3. Bereken a + b * c.

Jouw code:

Oefening 9

Bereken 50 - 10 + 5 * 2 en sla op in een variabele antwoord.

Jouw code:

Oefening 10

Bereken (40 + 20) / 3 en sla op in een variabele gemiddelde.

Jouw code:

Complexe berekeningen

Nu ga je alle kennis die je hebt geleerd combineren: variabelen aanmaken, waarden toekennen, en verschillende rekenoperaties gebruiken om complexere problemen op te lossen.

Oefening 1

Maak een variabele lengte met waarde 10, breedte met waarde 6, en hoogte met waarde 4. Bereken het volume (lengte * breedte * hoogte).

Jouw code:

Oefening 2

Maak een variabele celsius met waarde 25. Bereken de temperatuur in Fahrenheit met de formule: fahrenheit = celsius * 9 / 5 + 32.

Jouw code:

Oefening 3

Je hebt 150 euro. Je koopt 3 artikelen van elk 25 euro en 2 artikelen van elk 15 euro. Bereken hoeveel geld je overhoudt.

Jouw code:

Oefening 4

Maak een variabele basis met waarde 100, toename met waarde 20, en factor met waarde 3. Bereken: (basis + toename) * factor.

Jouw code:

Oefening 5

Maak een variabele score1 met waarde 85, score2 met waarde 92, en score3 met waarde 78. Bereken het gemiddelde.

Jouw code:

Oefening 6

Een winkel heeft 200 producten. Vandaag verkopen ze 45 producten en krijgen 30 nieuwe binnen. Bereken de nieuwe voorraad.

Jouw code:

Oefening 7

Maak een variabele uurloon met waarde 22, uren met waarde 38, en bonus met waarde 150. Bereken het totale salaris: uurloon * uren + bonus.

Jouw code:

Oefening 8

Een rechthoek heeft een lengte van 24 en breedte van 18. Bereken de omtrek met de formule: 2 * (lengte + breedte).

Jouw code:

Oefening 9

Je hebt 500 euro budget. Je geeft 120 euro uit aan eten, 80 euro aan vervoer, en 50 euro aan entertainment. Bereken hoeveel je overschiet.

Jouw code:

Oefening 10

Een bedrijf heeft 8 teams met elk 12 medewerkers. Er gaan 15 nieuwe medewerkers bij en 9 medewerkers vertrekken. Bereken het nieuwe totaal aantal medewerkers.

Jouw code:

Samenvatting

In dit hoofdstuk heb je geleerd: